De waarde van inflatie voor schoolbesturen

28 september 2012

Elke maand komt het in het nieuws: de inflatie. Hoewel de mededelingen hierover voor veel mensen weggelaten mogen worden, is het effect van het inflatiecijfer erg groot. De inflatie heeft directe invloed op de koopkracht en daarmee weer op de omzet van veel bedrijven. En via die omzet weer op de werkgelegenheid. Wat is inflatie nu eindelijk? Het begrip kan het makkelijkst vertaald worden met geldontwaarding. De waarde van geld wordt minder. De oorzaak van inflatie ligt volgens de meeste theorieën in de beschikbare geldhoeveelheid: als er meer geld komt, wordt het geld relatief minder waard. Dit is een gevolg van het spel van vraag en aanbod.

In alles geldt dat als de vraag groter wordt dan het aanbod, de prijs stijgt, terwijl als het aanbod groter wordt dan de vraag, de prijs daalt. De iPad van Apple is op dit moment duur, omdat het nieuw is en het aanbod van dergelijke tablets nog beperkt is (simplistisch gesteld, in werkelijkheid is er natuurlijk sprake van meer factoren). Andere fabrikanten zien het succes van tablets, nemen er ook in productie, het aanbod groeit en de prijs die men er voor kan vragen daalt omdat er zoveel meer keuze en aanbod komt.

Zo is het met geld ook: komt er meer van beschikbaar, dan wordt het minder waard. Hoe? Laten we een simpel voorbeeld nemen: als morgen iedereen in Nederland een miljoen euro van de regering krijgt omdat men extra geld heeft laten drukken, dan kunnen opeens veel mensen een Ferrari of Bentley betalen. De fabrikanten kunnen echter natuurlijk nooit zo snel aan de gestegen vraag voldoen. Zij zullen hun prijzen dus fors opkrikken. Gevolg is dat de prijs zo hoog komt te liggen, dat die miljoen euro opeens niet meer voldoende is voor zo’n auto. Kon je voor de massale gift nog twee Bentleys voor een miljoen kopen (ergo: een miljoen euro was twee Bentleys waard), na de gift is de vraag zo omhoog geschoten dat je voor een miljoen niet eens één Bentley kunt kopen. Al zouden we de waarde van ons geld in Bentleys uitdrukken, dan zouden we door de prijsinflatie dus fors armer zijn geworden, ondanks dat we nominaal een miljoen euro extra hebben. (NB: in het artikel Winst als reële optie ging ik hier ook al deels op in)

Nu drukken we in Nederland de waarde van ons geld niet uit in Bentleys. De waarde van geld wordt gemeten aan de hand van een ‘mandje’ typische consumentengoederen. Daarin zitten de prijzen van een aantal zaken gewogen verwerkt. Als alle prijzen gelijk blijven en alleen de brandstof stijgt 2%, zal de inflatie daardoor niet op 2% maar veel lager uitkomen, omdat brandstof niet 100% van het mandje beslaat.

De mate van inflatie wordt dus bepaald door de geldhoeveelheid. Deze hoeveelheid wordt op haar beurt bepaald door het aanwezige geld en de omloopsnelheid ervan. Omloopsnelheid? Dat is de snelheid waarmee geld dat verdiend wordt weer terugkomt in het economische verkeer. Een voorbeeld hiervan: als we een economie hebben waarin 2 mensen leven, waarvan er één 10 euro verdient en dit op een spaarrekening zet, dan is het inkomen van de economie 10 euro. Koopt hij echter voor die 10 euro iets van de tweede persoon, dan is het inkomen van de economie 20 euro en de omloopsnelheid 1. En u raadt het al: koopt die ander vervolgens voor de verdiende 10 euro weer iets van de eerste dan stijgt het inkomen van de gehele economie tot 30 euro en neemt de omloopsnelheid verder toe.

Wil het in een economie goed gaan dan zal geld dus moeten rollen… Daarom ook de extra remmende kracht van de door de recessie veroorzaakte angstige sentimenten bij de consument die het geld in de knip houdt – en een wetgever die probeert de geldomloop weer op gang te brengen door bijvoorbeeld de vervroegde vrijval van het spaarloon. De schrik van elke economie is dan ook deflatie: een situatie waarin geld meer waard wordt c.q. prijzen dalen. Op zo’n moment gaan consumenten weer de hand op de knip houden: immers, als ik nog een week wacht wordt het product wat ik op het oog heb nog goedkoper! Dergelijk uitstelgedrag is ontzettend schadelijk voor een economie. Een te hoge inflatie op haar beurt zorgt er weer voor dat investeerders naar het buitenland vertrekken (geld lenen om te investeren wordt veel te duur) en dat burgers het vertrouwen in de munt verliezen. Inflatie is voor een economie dus goed, zij het met mate. Vandaar dat de Europese Centrale Bank ook een inflatie van circa 2% nastreeft.

Naast de omloopsnelheid noemde ik u ook nog de geldhoeveelheid: in het verleden zijn er meer dan eens landen geweest die tot schade en schande moesten bemerken dat extra geld drukken om overheidsuitgaven te betalen door inflatie een verwoestend effect hadden op de economie.

Wat is nu de concrete uitwerking voor een school? Die is al behandeld in het voornoemde artikel over het draaien van nominale of reële winsten. Als school kun je de inflatie niet beïnvloeden. Het genoemde artikel laat zien dat u er in uw beleid echter wel rekening mee dient te houden en niet te snel moet spreken over winst die uitgegeven kan worden. Ondertussen heeft dit artikel u een kijkje geboden in wat voorheen wellicht een ondoorzichtbaar begrip en proces was. Dat is nog eens indruk maken op de volgende verjaardag...

NB: om het artikel toegespitst en eenvoudig te houden ben ik hier en daar wat kort door de bocht omgegaan met de wetenschappelijke theorieën over en de verschillende definities van het begrip inflatie. Het artikel is bedoeld als een abstracte weergave, niet als een diepgaande verhandeling.

Trefwoorden: inflatie, waarde, inflatie betekenis

Deel deze pagina met je volgers op social media: