Verkorting salarisschalen funest voor begrotingen

11 februari 2011

Pagina afbeeldingExtraatje voor leerkrachten betekent krimp in werkgelegenheid; lees hier hoe inkorting van salarisschalen exploitaties zwaar onder druk zet

Hoeveel moeite kostte het u om eind vorig jaar de begroting een nog enigszins acceptabel resultaat te laten vertonen? Als adviseur was ik bij een groot aantal begrotingstrajecten betrokken die vrijwel allemaal één ding gemeen hadden: bezuinigingen om niet geconfronteerd te worden met torenhoge tekorten.

De oorzaken van de bezuinigingen zijn in eerdere publicaties al wel eens genoemd. Te denken valt aan bijvoorbeeld het wegvallen van het budget voor versterking bestuur en management, de kosten voor de functiemix in combinatie met de tegenvallende compensatie hiervan binnen de bekostiging en het toenemende gebruik van bapo en ouderschapsverlof.

Ook de inkorting van de salarisschalen voor leerkrachten is genoemd. Het effect hiervan was niet berekend maar werd aangenomen vanuit de simpele redenering dat wanneer de salarisschalen worden ingekort van 18 naar 15 treden er een mismatch ontstaat met de bekostiging die gebaseerd is op een gewogen gemiddelde leeftijd (GGL) die kan lopen van 30 tot 50. Met andere woorden: de lijn van de ontwikkeling van de personele lasten werd de afgelopen jaren steiler, maar die van de bekostigingsontwikkeling wijzigde niet.

Recent startte een onderzoek naar deze aangenomen mismatch binnen de bekostiging, uitgevoerd door onder meer VOS/ABB Consulting, de PO-Raad en schrijver dezes. We analyseerden hiervoor over een periode van vier schooljaren de bekostiging en de loonkosten van 98 scholen. Hierbij werd gekeken naar de ontwikkeling van de gemiddelde kosten per fte over die jaren. Fluctuaties in de omvang van de personeelsbestanden waren dus niet van invloed op de resultaten van het onderzoek. De onderzochte scholen hadden gezamenlijk ruim 1.100 fte onderwijzend personeel in dienst welke een loonkostenpost van ruim 60 miljoen euro vormden. Hiermee kan aan deze groep een grote mate van representativiteit worden toegekend.

Die uitkomsten lieten een schokkend effect zien wat toegeschreven kan worden aan de inkorting: bij de groep scholen nam een overschot op de bekostiging over schooljaar 2007/08 van 0,54% af tot een tekort van 5,44% op de bekostiging over het lopende schooljaar, 2010/11. Concreet: de kosten voor een gemiddelde leerkracht zijn dit schooljaar 5,44% hoger dan de bekostiging die vanuit de lumpsum voor diezelfde leerkracht ontvangen wordt. In totaal ging het om een negatief saldo van circa 3,5 miljoen euro (circa 35.000 euro per school). Een schooljaar eerder was dit tekort “nog slechts” 2,45%. Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling:

Grafische weergave van de stijging van de mismatch tussen lonen en bekostiging in het primair onderwijs

Binnen de totale groep onderzochte scholen is nog onderscheid gemaakt tussen scholen met een gewogen gemiddelde leeftijd tot 35 jaar en scholen met een leeftijd vanaf 35 jaar. De verwachting was dat bij de jongste groep het effect het grootst zou zijn. Dit omdat het onderwijs gecompenseerd wordt voor loonstijgingen, maar dit allemaal berekend wordt rondom de landelijk gemiddelde leeftijd van ruim 40 jaar. Doordat de helling van de loonkostenontwikkeling steiler is geworden zouden bij een lineaire bekostigingssystematiek (een GGL die kan fluctueren tussen 30 en 50) de grootste effecten op moeten treden bij de scholen die het verst bij deze landelijk gemiddelde leeftijd vandaan zitten. Aangezien de onderzochte scholen over het algemeen een lage gemiddelde leeftijd hebben is gekozen 35 als deler te gebruiken, omdat de groep met een leeftijd van boven de 40 te klein zou worden om representatieve uitspraken over te doen.

Het resultaat van de groepsvergelijking bevestigde het vermoeden volledig. De groep met een lage GGL (gemiddeld 32,54 jaar) kende een effect over 2010/11 van maar liefst 6,63% negatief, terwijl de groep met een GGL van meer dan 35 jaar (gemiddeld 37,66 jaar) een relatief lager effect kende van 3,94% negatief.

Dit onderzoek, dat – hoewel “quick and dirty” (minder nauwkeurig gemeten) uitgevoerd – gezien omvang toch zeker representatief genoemd mag worden, toont aan dat het vermoeden dat de inkorting van de salarisschalen negatief uitpakt voor besturen met een lage GGL juist is. Hoe verder een bestuur bij de landelijk gemiddelde GGL van circa 40 jaar vandaan zit, des te nadeliger dit voor de bekostiging is.

De onderzochte scholen hadden gezamenlijk een gemiddelde personeelslast voor leerkrachten van 56.000 euro. Dit betekent dat de totale mismatch tussen kosten en bekostiging een verlies aan arbeidsplaatsen betekende van ruim 60 fte op een totaal van ruim 1.100 fte. De inkorting van de salarisschalen, waarmee de functie van leerkracht aantrekkelijker gemaakt moest worden, zorgt er op deze manier dus juist voor dat veel leerkrachten zonder werk (komen te) zitten.

Met de invoering van de lumpsumfinanciering liep de pilotschool Johannes Calvijn te Sliedrecht al tegen een GGL-effect aan: haar leerkrachten waren over het algemeen 2 tot 3 jaar eerder afgestudeerd aan de Pabo dan landelijk gemiddeld. Dit effect, wat door het Ministerie en Projectbureau maar als het Calvijn-effect werd betiteld (naar de school, de achterban en dan met name de Calvinistische werkmentaliteit die tot het snelle afstuderen leidde), werd gezien als een gegeven. Het Ministerie wilde hierop geen aanpassing plegen in de systematiek omdat het een te klein gedeelte van het veld betrof en hier bovendien compenserende effecten tegenover stonden (lagere opname van bijvoorbeeld ouderschapsverlof en bapo, en besturen met een GGL van ver beneden de 30 jaar die door het bodemniveau in de systematiek overbekostigd kregen). Overigens zien de meeste scholen deze effecten niet, omdat zij niet inzichtelijk hebben welk deel van hun bekostiging nu voor ouderschapsverlof en bapo is en welk deel van de bekostigde kosten nu door hen wordt uitgespaard.

Het huidige effect is echter van een totaal andere orde. Doordat zoals eerder al gesteld de helling van de lijn van het carrièrepatroon veranderd is, komen alle scholen, ook uit andere denominaties, met oplopende tekorten te zitten. Hoe verder bij de landelijk gemiddelde GGL (van circa 40 jaar) vandaan, des te groter het effect zal zijn. Besturen met meer dan 30 tot 40 scholen zullen over het algemeen de landelijk gemiddelde GGL meer benaderen en dus op bestuursniveau minder last van dit nieuwe effect hebben. Daarvan wordt echter alleen geprofiteerd als zij inkomstennivellering tussen hun scholen toepassen, aangezien bekostiging op schoolniveau en dus ook conform school-GGL ontvangen wordt. Onderling kunnen ook zij forse en zeer ongewenste schommelingen tussen hun scholen waarnemen.

Concreet betekent dit dat zolang het Ministerie niet besluit om de GGL-systematiek aan te passen, bijvoorbeeld door het GGL-maximum te verlagen van 50 naar 45 jaar (indicatief, is niet berekend) en daarmee de helling van de lijn van de bekostiging te laten stijgen, deze afwijkingen in de bekostiging een gegeven zijn. Er zijn in sommige gevallen manieren om deze afwijkingen te dempen. Hier praat ik graag met u over door.

Verder is duidelijk dat de oudere leerkracht, die soms (terecht of onterecht) haast de school wordt uitgekeken omdat hij of zij de directeur een blok aan het been is in onderwijskundige vernieuwing, een belangrijke rol heeft. Niet alleen brengt deze kennis, ervaring en routine in een team, maar heeft deze door zijn leeftijd ook nog een gunstig effect op de bekostiging. Leeftijdsgericht personeelsbeleid is dus geen loze kreet maar kan op een dubbele manier waarde toevoegen voor een school. Daarnaast blijkt een beleidsrijke meerjarenbegroting eens te meer een onmisbare tool voor elke onderwijsorganisatie.

Trefwoorden: salarisschalen, bekostiging onderwijs, loonkosten scholen, salaris leerkracht

Deel deze pagina met je volgers op social media: