Hoe begroot ik het bestuursakkoord PO in 2015?

17 november 2014

In juli van dit jaar werd het bestuursakkoord tussen het Ministerie en de PO-Raad definitief. Het akkoord bevat afspraken tussen beide partijen om de onderwijskwaliteit de komende jaren te verbeteren. Hier staat ook een aanvullende investering in de sector tegenover, hoewel die in de praktijk soms eerder een door de jaren ontstane kloof tussen bekostiging en kosten zal moeten dichten dan dat deze nieuwe ambities kan financieren. Maar hoe gaat u in uw (meerjaren)begroting nu om met deze aanvullende financiering?

Voorzichtigheidsbeginsel

We lopen hier direct al tegen een ‘probleem’ aan, namelijk het feit dat de middelen nog niet beschikt zijn en er ook geen helderheid is over de precieze verdeling ervan. We kunnen aan de hand van de bedragen uit het akkoord en het aantal leerlingen in de sector uitrekenen wat het bedrag per leerling ongeveer is, maar het is niet zeker dat het ook in die vorm verwerkt zal worden. Voor de jaarverslaglegging geldt een voorzichtigheidsbeginsel, wat inhoudt dat baten pas in de cijfers opgenomen worden wanneer ze gerealiseerd zijn maar lasten al zodra ze bekend zijn. Hoewel een begroting geen jaarrekening is, is een goede begroting altijd realistisch ingestoken en niet te optimistisch. Feitelijk hanteren we in begrotingen doorgaans een iets verzacht voorzichtigheidsbeginsel: we willen een accuraat beeld schetsen en onszelf dus ook niet te arm rekenen, maar aangezien er op een meevaller makkelijker valt te sturen dan op een tegenvaller blijven we wel voorzichtig.

In de begroting 2015 zullen we voor een goed beeld dit los moeten laten, te meer daar lasten die vanuit de nieuwe middelen bekostigd zullen moeten moeten worden in veel gevallen al in de begroting zijn opgenomen (NB: het gaat hierbij niet om de loonstijging, hiervoor volgt een aparte indexatie van het lumpsumbudget). We zullen de nieuwe middelen dus moeten begroten naar de best mogelijke informatie die we nu beschikbaar hebben. Daarmee komen we toch op een bedrag per leerling uit, wat mogelijk als de definitieve beschikking bekend is tot afwijkingen zal leiden.

Overzicht van de totale middelen

De PO-Raad heeft direct na het bekend worden van het akkoord informatie gepubliceerd over de totale omvang van de kwaliteitsimpuls. In het onderstaande overzicht wordt deze informatie getoond:

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Nationaal onderwijsakkoord

1. Onderbesteding gemeentefonds (PO-deel)

147,0

147,0

147,0

147,0

147,0

147,0

2. Kwaliteit onderwijs (PO-deel)

44,0

138,0

198,0

198,0

198,0

198,0

3. Incidenteel: arbeidsvoorwaarden

4. Incidentele middelen jonge leerkrachten

-45,0

-40,0

Herfstakkoord

5. Meer en betere handen voor de klas

82,0

82,0

86,0

86,0

86,0

86,0

6. Lumpsum

28,0

10,0

9,9

21,0

9,7

10,0

7. Lumpsum SWV PO

5,0

16,0

14,0

15,0

17,0

17,0

8. Verzachten afbouw verevening

1,0

3,0

2,0

Bestuursakkoord 2012-2015

9. Prestatieboxmiddelen 2012-2015

158,0

158,0

158,0

158,0

158,0

158,0

Totaal

464,0

507,0

575,9

627,0

615,7

616,0

(waarvan nieuw geld)

306,0

349,0

417,9

469,0

457,7

458,0

Uit deze informatie blijkt dat er dus in 2015 in totaal voor 306 miljoen euro nieuw geld naar de sector zou komen.

Wat zit er al in de begrotingen en wat nog niet?

Een deel van deze middelen zit echter al in de meeste begrotingsmodellen (zoals die van de PO-Raad en van Leeuwendaal) verwerkt. Zo is in de genoemde begrotingsmodellen de nieuwe materiële bekostiging opgenomen waarin de doordecentralisatie van het buitenonderhoud verwerkt is alsmede aanvullende middelen voor ICT. Aan de lastenzijde is in deze begrotingsmodellen al rekening gehouden met de stijging van de lonen door middel van een nieuwe loontabel per september 2014.

Wat er nog niet in de begrotingsmodellen is opgenomen kan als volgt worden samengevat (bron: PO-Raad):

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Lumpsum

17,0

374,0

385,0

413,0

424,0

413,0

413,0

- minus geld naar SWV

-5,0

-17,0

-17,0

-17,0

-17,0

-17,0

- minus buitenonderhoud

-135,0

-135,0

-159,0

-159,0

-159,0

-159,0

Subtotaal

17,0

234,0

233,0

237,0

248,0

237,0

237,0

Prestatiebox

128,0

151,0

223,0

263,0

263,0

263,0

- minus oude prestatiebox

-158,0

-158,0

-158,0

-158,0

-158,0

-158,0

Totaal niet meegenomen in modellen

17,0

204,0

226,0

302,0

353,0

342,0

342,0

In de begrotingsmodellen loopt de oude prestatiebox de komende jaren nog door, terwijl er in werkelijkheid in eerste instantie minder geld via deze financieringsvorm naar de scholen zal komen. In het bovenstaande overzicht wordt het totaal op te nemen bedrag dus gecorrigeerd voor dit verschil. Daarnaast moet er in de meerjarenbegrotingen van de scholen rekening worden gehouden met het feit dat een deel van het bedrag uit het bestuursakkoord naar de samenwerkingsverbanden gaat, vandaar dat ook dit bedrag in mindering wordt gebracht op de totaal op te nemen gelden.

Netto blijft er dus 17 miljoen euro over voor de besturen in de sector als aanvullende middelen voor 2014 en voor 2015 zou er een bedrag van 204 miljoen euro beschikbaar komen. Met 1,61 miljoen leerlingen in het primair onderwijs zou dit een bedrag per leerling van respectievelijk 10,56 euro en 126,70 euro betekenen. In de begroting 2015 kan dus rekening worden gehouden met een bedrag van in totaal 137 euro per leerling.

En wat na 2015?

Alleen een meerjarenbegroting is een goede begroting. Als we alleen maar een jaar vooruit kijken in onze begrotingen worden we immers altijd door alle ontwikkelingen in leerlingaantal of qua onderhoud overvallen. Hoe moeten we dan in die meerjarenbegroting omgaan met de jaren na 2015?

Voor 2016 is dit nog niet echt spannend aangezien de 226 miljoen euro in dat jaar ongeveer overeenkomen met de 221 miljoen euro voor 2015. In de jaren 2017 en verder zien we dat het bedrag snel oploopt en dat er in die jaren ruim de helft meer aan middelen beschikbaar zal komen dan in 2015.

Het is goed om te beseffen dat de middelen die nu naar het primair onderwijs komen niet vrijblijvend zijn en dus ook niet zonder aanvullende kosten. Nog los van het feit dat in de nieuwe cao striktere pauzetijden zijn opgenomen dan in de arbeidstijdenwet en er hierbij verzuimd is zich te beseffen dat dit voor scholen met een continurooster al per 2015 flinke meerkosten kan betekenen, zullen de meerkosten van de kwaliteitsimpuls de komende jaren waarschijnlijk verder oplopen. Zolang er geen goed zicht is op de ontwikkeling van de uitgaven en deze ontwikkeling dus ook niet adequaat begroot kan worden, is het verstandig om de stijging in de aanvullende middelen vanaf 2017 ook niet te begroten maar in de meerjarenbegroting het bedrag per leerling van 2015 ook voor die jaren door te trekken.

Buitenonderhoud en werkgeverslasten

Eerder werd al aangegeven dat de middelen voor het buitenonderhoud doorgaans al in de variabelen van de begrotingsmodellen verwerkt zijn. Hoewel het haast een open deur lijkt willen we nog een keer benadrukken dat niet vergeten moet worden ook de kosten van dat buitenonderhoud (in de vorm van een hogere dotatie en een hoger budget voor klein, dagelijks onderhoud) mee te nemen in de begroting. Als deze kosten voor uw eigen school nog niet bekend zijn is het opnemen van een stijging die gelijk staat aan de meerinkomsten (13,33 euro per vierkante meter) het beste alternatief.

Daarnaast moet net als andere jaren ook het eigen opslag werkgeverslasten weer bepaald worden, aangezien individuele omstandigheden tot forse afwijkingen ten opzichte van het sectorgemiddelde kunnen leiden. Hierbij moet ook de wijziging in de premie van het Vervangingsfonds (waar in principe ook een stijging van de lasten voor eigen rekening tegenover staat) en de forse stijging in de premie van het Participatiefonds worden meegenomen.

Trefwoorden: bestuursakkoord po, bestuursakkoord po 2014, begroting 2015, begroting maken

Deel deze pagina met je volgers op social media: