Onhoudbaarheid uitkeringslasten onderwijs zit in prijs, niet in aantal

Onhoudbaarheid uitkeringslasten onderwijs zit in prijs, niet in aantalEen noodkreet van de PO-Raad in diverse media moest de landelijke beleidsbepalers duidelijk maken dat de stijgende werkeloosheid in het onderwijs schoolbesturen met steeds hoger oplopende kosten opzadelt. An sich is dit een terechte constatering: 10 jaar geleden droegen schoolbesturen 1,86% premie af aan het zogeheten Participatiefonds, medio dit jaar is de premie gestegen tot 5%. Maar hebben niet meer sectoren te maken gehad met stijgende werkeloosheid? Waarom zou juist in het onderwijs de overheid moeten ingrijpen door, zoals de PO-Raad voorstelt, bekostiging van dalende scholen te bevriezen? Zou het aanpakken van de bron van het probleem niet beter zijn dan de symptomen bestrijden?

Een korte geschiedenisles
Het onderwijs is als sector eigenrisicodrager voor de werkeloosheidsuitkeringen en dus niet zoals de meeste andere sectoren verzekerd bij UWV. Als een medewerker uit het onderwijs bij het UWV een uitkering aanvraagt, wordt de rekening hiervoor doorgestuurd naar het schoolbestuur waar de betreffende persoon het laatst werkzaam was. Om de gevolgen hiervan voor individuele besturen te beperken is in 1995 het Participatiefonds opgericht waar schoolbesturen in het primair onderwijs door verplicht bij aangesloten zijn. Doelstelling van het Participatiefonds is, naast het betalen van de uitkeringskosten, het zo laag mogelijk houden van de totale uitkeringslast door werknemers te begeleiden naar ander werk.

Een halve verklaring (en een terechte oproep)
Als gevolg van de daling van het aantal leerlingen daalt de werkgelegenheid in de sector en dus stijgt de instroom van mensen in een uitkeringssituatie. De krimp van de sector leidt dus zeker tot een stijging van de uitkeringslasten, waarmee de oproep van de PO-Raad ook terecht is. Ook het gedeelte waarbij het Rijk om compensatie wordt gevraagd; immers, het UWV komt de afgelopen jaren door de gestegen werkeloosheid fors tekort op de premies die zij heft, dus feitelijk is het Rijk alle bij UWV verzekerde werkgevers al indirect aan het steunen om te voorkomen dat de premies nog harder oplopen. Maar zoals vaker geldt: wanneer je met een vinger naar een ander wijst, wijzen de anderen naar jezelf. De verklaring van de PO-Raad over de oorzaak (de hoge instroom) is namelijk maar de helft van het verhaal.

De andere helft
Lasten zijn namelijk altijd een combinatie van prijs en aantal. Waar de instroom op het aantal ziet, ligt de andere helft van de verklaring bij de prijs. Een werkeloze in het primair onderwijs is namelijk veel en veel duurder dan het landelijk gemiddelde. De afgelopen jaren heeft de overheid onder invloed van de crisis en met als doel de uitstroom uit de WW te stimuleren de WW-rechten steeds verder ingeperkt. Een voorbeeld hiervan is dat er wordt gewerkt met een gemaximeerd dagloon voor het bepalen van de hoogte van de uitkering. De laatste stap in het proces van versobering is dat sinds de zomer de looptijd van een WW-uitkering langzaam wordt teruggebracht van 38 tot 24 maanden.

Terwijl de werkeloosheidsuitkeringen via UWV worden versoberd, wordt het primair onderwijs nog in de houdgreep gehouden van bepalingen die in een heel andere tijd zijn overeengekomen. Zo kent het onderwijs zogenaamde bovenwettelijke uitkeringen. Waar een uitkering via het UWV straks maximaal 24 maanden duurt en 70% van een gemaximeerd dagloon bedraagt (199,95 euro per dag, met 21,75 dagen per maand), is in het onderwijs in het “ergste” geval (minimaal 12 dienstjaren in het onderwijs) een WW-duur van 144 maanden van toepassing van 70% van het ongemaximeerde loon (NB: omwille van de eenvoud laten we hierbij buiten beschouwing dat er het eerste jaar 78% in plaats van 70% ontvangen wordt).

Een (versimpeld) rekenvoorbeeld
Stel een leerkracht is 53 jaar en verdient inclusief vakantiegeld 3.900 euro per maand. Als hij een werknemer was geweest binnen een sector verzekerd via UWV, dan zou hij straks een uitkering tegemoet kunnen zien van 24 maanden maal 2.730 euro, oftewel ruim 65 duizend euro totaal. Binnen het onderwijs heeft deze persoon echter recht op 144 maanden maal genoemde 2.730 euro, oftewel ruim 393 duizend euro. Een ontstellend groot verschil.

Het verschil wordt zelfs nog groter wanneer we een gewezen directeur (of bestuurder) nemen die inclusief vakantiegeld op 5.500 euro per maand aan salaris zat. Waar hij met minimaal 12 dienstjaren en een leeftijd van 53 jaar in het onderwijs een totaal uitkeringsrecht heeft van maar liefst 554 duizend euro zou hij in een andere sector recht hebben gehad op “slechts” 73 duizend euro.

Nieuwe tijden, nieuwe afspraken
Het lijkt daarom, ongeacht het dragen van de tekorten van het UWV, niet reëel om het Rijk nu te vragen om op kosten van de BV Nederland het onderwijs te compenseren voor de enorme berg aan WW-rechten die zij zelf veroorzaakt heeft met aanvullende cao-afspraken. Afspraken waar de PO-Raad graag afscheid van neemt, maar waarbij de bonden in het laatste cao-overleg instaken op verlenging van de uitkeringsduur door deze aan te laten sluiten bij de AOW-leeftijd (nu loopt deze tot de dag dat iemand 65 wordt, vandaar de 144 maanden bij een 53-jarige).

Met de riante uitkeringsduren waar het Participatiefonds noodgedwongen mee te kampen heeft, wordt het ook erg moeilijk om mensen te bewegen te re-integreren. Er is immers bij een WW van 5, 7 of 12 jaar op een normaal salarisniveau weinig prikkel om weer aan de slag te gaan. Daarmee snijdt het mes aan twee kanten: de hoge uitkeringen zorgen ervoor dat de uitstroom laag is, waardoor de hoge instroom nog extra merkbaar wordt.

In een tijd dat uitkeringen bij UWV versoberd zijn, past het niet meer dat het onderwijs nog dergelijke riante regelingen kent. Het afbouwen ervan zou, los van de vraag of er voldoende werk is, een hogere uitstroom betekenen en ook een lagere loonlast voor de scholen. Die lagere loonlast zorgt weer voor de broodnodige verlichting van de begrotingen en daarmee voor ruimte om extra handen in de klas te brengen. Zie daar: het aanpakken van de uitkeringen in het onderwijs leidt ook weer tot meer werkgelegenheid, zonder dat het Rijk bekostiging hoeft te bevriezen. De cao-partners zijn aan zet. Zij kunnen met lef de arbeidsmarkt in het onderwijs weer een boost geven.

Categorie: Zakelijk | Dinsdag 22 September 2015 | 1 reacties

Geplaatste reacties:

Het voorbeeld van die directeur is natuurlijk slim gekozen, want het is door het verhoogde maximumloon het uiterste scenario. Neem aan dat je bewust naar boven hebt afgerond? ;)
Reactie van Simone, geplaatst op 2015-09-27 12:18:23

Plaats uw reactie:

Verificatiecode

Navigeer naar andere blogs:

Vorige: Failliet OSGMetrium toont sectorprobleem; maar van welke sector?
Volgende: