Cao PO zonder grondige herziening niet toekomstbestendig

13 januari 2016

Pagina afbeeldingDe cao primair onderwijs (cao PO) dreigt financieel onhoudbaar te worden nu de excessieve uitkeringslasten al jaren niet aangepakt worden en de indexering van lonen harder gaat dan de indexering van bekostiging. Een grondige herziening is nodig om de cao toekomstbesteding en financierbaar te maken.

De afgelopen weken stonden bol van de goede voornemens en naar elkaar van de beste wensen. In het primair onderwijs is het te hopen dat er aan de onderhandelingstafel voor een nieuwe cao ook veel goede voornemens zijn. De afgelopen jaren bleek het moeilijk om te komen tot een duidelijke en toekomstbestendige herziening van een fors verouderd en veel te dik boekwerk. De afspraken die gemaakt werden zetten ondertussen de financiële huishouding van veel schoolbesturen op scherp omdat ze niet te dekken bleken vanuit de indexering van de bekostiging. Daarnaast zorgde het gebrek aan structurele ingrepen in de onhoudbare wachtgeldafspraken voor een ware explosie van de premie voor het Participatiefonds en dus voor verdere kostenstijgingen.

Tekort op afspraken uit 2014
Voorgaande uitspraken zijn geen loze kreten, maar te onderbouwen met de ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Medio 2014 werd een nieuwe cao afgesloten voor het schooljaar 2014/15 waarin per september 2014 een loonsverhoging werd afgesproken van 1,2%. Deze zou gedekt worden vanuit een verwachte indexering van de lumpsum van ook 1,2% op basis van de referentiesystematiek in de bekostiging. Uiteindelijk werd de indexatie door het ministerie bepaald op 0,44% omdat door de gedaalde pensioenpremies de kostenkant van de personeelsbegrotingen ook een meevaller bevatte. An sich zou dit door die meevaller op de kostenkant geen probleem zijn geweest, ware het niet dat de cao-partners een groot gedeelte van die meevaller op de pensioenpremies al door hadden geschoven naar de werknemers door een eenmalige verhoging van de dag van de leerkracht met 328 euro in een afspraak die buiten de cao om gemaakt was. Zie het artikel "Personele bekostiging onderwijs in 2015 beperkt geïndexeerd". Het feit dat veel besturen niet wisten dat de gemaakte afspraken niet bindend waren - ook omdat administratiekantoren en softwareleveranciers de scherpte misten om dit te signaleren en de afspraken voetstoots uitvoerden - zorgde ervoor dat de afspraken ondanks het gebrek aan financiële ruimte toch door het gros van de schoolbesturen uitbetaald zijn.

Opnieuw een tekort op de afspraken in 2015
Afgelopen jaar herhaalde zich dit scenario opnieuw. Het ministerie beschikte in de zomer van 2015 extra gelden vanuit het multisectorale loonakkoord dat de overheid met de bonden sloot, waarop de cao-partners de afspraak (opnieuw buiten een nieuwe cao om, die inmiddels vanuit de onmacht om voor de wet werk en zekerheid een nieuwe te sluiten was opgezegd, en daarmee niet bindend) maakten om eenmalig 500 euro uit te keren en de lonen per september 1,25% te verhogen. Voor het boekjaar 2015 had dit een kostenverhoging tot gevolg die 0,4% hoger was dan de indexatie van de lumpsum. Voor 2016 zal het nog niet ingevulde gedeelte van de indexatie ongetwijfeld nog worden ingevuld, waarbij de hoop dat rekening gehouden wordt met het tekort op de afspraken uit 2014 en 2015 op basis van de ervaringen tot nu toe niet heel realistisch lijkt.

Indirect tekort door inkorting schaal
Het oplopende nadeel vanuit de cao zit niet alleen in directe maatregelen zoals de voornoemde loonstijgingen, maar ook in de inkorting van de salarisschalen de afgelopen jaren. Deze inkorting is enerzijds het gevolg van het terugbrengen van het aantal treden in de L-schalen, maar anderzijds ook vanuit allerhande prestatieafspraken waardoor leerkrachten op basis van de definities basis- en vakbekwaam sneller door hun schaal moeten kunnen groeien. In theorie zou het hierdoor kunnen dat excellente leerkrachten al na 10 jaar in het maximum van hun schaal zitten.

Het probleem hierbij zit in het feit dat de bekostigingsregels vanuit het ministerie inmiddels alweer meer dan tien jaar oud zijn. Dit maakt dat de zogenaamde gewogen gemiddelde leeftijd (GGL) die versleuteld zit in de lumpsum uit een tijd is dat de schalen nog 18 treden telden zonder versnelde doorstroom. In 2011 deden Geke Lexmond en ik een beperkt opgezet onderzoek op basis van 1.100 fte naar de gevolgen van de inkorting van de schalen. Dit onderzoek liet zien dat deze inkorting voor tekorten ten opzichte van de bekostiging zorgde. Kort gezegd: als de bekostiging bij een bepaalde gemiddelde leeftijd ongewijzigd blijft, terwijl een gemiddelde leerkracht in plaats van op zijn 39ste al op zijn 36ste in het maximum van zijn schaal zit dan levert dat in de jaren tussen die twee leeftijden een relatief tekort op. Met de nieuwe afspraken rondom versnelde doorstroom zou hij al op zijn 31ste in het maximum van zijn schaal kunnen zitten en doet het relatieve tekort zich dus over een langere periode voor. Voor meer achtergronden bij het onderzoek van destijds zie het artikel "Verkorting salarisschalen funest voor begrotingen".

Los van het feit dat de cao niet lijkt te onderkennen dat salaris geen satisfier is maar een dissatisfier, letten de onderhandelpartners bij het maken van hun afspraken onvoldoende op de bekostigingszijde van de sector die buiten hun directe invloed valt en waarop hun afspraken geen effect hebben. Daardoor ontstaat er extra financiële druk op de begrotingen, ook omdat er aan de andere kant van de medaille niets wijzigt: de excellente leerkracht groeit extra snel door, maar voor de niet voldoende functionerende leerkracht blijft de automatische periodiek in stand en blijft ook de regel van kracht dat een periodiek maar één keer onthouden kan worden. De balans in geven en nemen tussen werkgevers en werknemers lijkt op zijn minst scheef te groeien.

Werkeloosheidsuitkeringen onhoudbaar
Een andere kostenpost die blijft stijgen is de premie voor het Participatiefonds. Vorig jaar klonk een oproep aan het ministerie om de bekostiging te bevriezen omdat er door dalende werkgelegenheid een hogere instroom in de ww zou zijn waardoor de premies op zouden lopen. Die hogere instroom is natuurlijk een belangrijk thema. Echter, het echte probleem rondom de stijgende premies is de prijs van een ww-uitkering voor het onderwijs, niet het stijgende aantal uitkeringen. In mijn eerdere artikel "Onhoudbaarheid uitkeringslasten onderwijs zit in prijs, niet in aantal" becijferde ik een aantal voorbeelden waaruit bleek dat in het uiterste geval de uitkeringskosten van een onderwijsfunctionaris op 554 duizend euro liggen waar dit in een andere sector zonder boven- en nawettelijke uitkeringen slechts 73 duizend euro zou zijn. Dit probleem ontstaat door de uitkeringsduur in het onderwijs die maximaal 144 maanden kan bedragen waar de rest van Nederland het met maximaal 38 en straks 24 maanden moet doen.

Los van het feit dat een dergelijke ongelijkheid in een sector die bekostigd wordt vanuit belastinggeld maatschappelijk gezien onverantwoord, is dit voor de werkgevers niet meer te financieren. Zeker wanneer deze werkgevers naast de enorme uitkeringen straks ook nog een transitievergoeding moeten betalen.

Conclusie
Al de voorgaande punten laten zien dat de begrotingen in het primair onderwijs onder toenemende druk staan door het niet fundamenteel hervormen van de cao en het teveel op basis van verwachtingen weggeven van financiële ruimte. Het vasthouden aan de enorme werkeloosheidsuitkeringen, die elke prikkel om echt werk te maken van het vinden van nieuw werk teniet doen, is weliswaar leuk voor de oudere leerkracht maar raakt direct de werkgelegenheid van de jonge starter. Immers, de kosten van de premies en uitkeringen zorgen ervoor dat de formaties op de scholen moeten krimpen. Als de cao-partners hier werk van durven maken komt er budget vrij om juist ook bij een krimpend leerlingaantal de werkgelegenheid relatief op peil te houden. Het versneld door laten stromen van excellente leerkrachten zonder de automatische periodiek voor de onvoldoende functionerende leerkracht aan te pakken zorgt ook voor oplopende druk op de budgetten, zij het dat deze relatief kleiner van omvang is. Het effect van de oplopende discrepantie tussen indexering van de bekostiging en indexering van de lonen mag ondertussen voor iedereen duidelijk zijn.

De komende maanden worden cruciaal voor de cao-partners, nu per 1 juli 2016 het overgangsrecht voor de wet werk en zekerheid afloopt en er dus per die datum een nieuwe cao zal moeten liggen die op een goede manier op deze wetgeving inspeelt. Omdat het primair onderwijs vanaf die datum ook verplicht is transitievergoedingen te betalen is met name het aanpakken van de boven- en nawettelijke uitkeringen een belangrijk punt, omdat er anders geen financiering voor de genoemde vergoeding aanwezig is en werkgevers dus op inzet van personeel zullen moeten bezuinigen om de ontslagen te financieren. Het verdelen van geld wat er niet is zoals in voorgaande rondes is gedaan is geen optie meer. Echt ingrijpen en fundamentele wijzigingen zijn nodig. De beste wensen dus voor de cao-partners: veel wijsheid, het nodige lef en een op de toekomst gerichte blik in plaats van het achteromkijken naar de rechten uit het verleden. We hopen dat het goede voornemen van elke cao-partner is om vanuit een integrale visie de hele sector recht te doen, niet alleen de eigen achterban.

Trefwoorden: cao po, onderwijs, wwz, indexering, loonstijging, uitkeringslasten, bekostiging

Deel deze pagina met je volgers op social media: