Premies Vervangingsfonds en Participatiefonds slaan een gat in je begroting!

8 mei 2015

Pagina afbeeldingNB: rekenmodel is per februari 2016 ge-updatet! De stijging van de kosten voor vervanging en wachtgelden in het primair onderwijs in combinatie met het ongewijzigd handhaven van de opslag hiervoor in de lumpsum levert nu al een tekort van 3% op. Wat kun je tegen dit haast ongemerkt weglekken van middelen doen?

Achtergrond premiebetaling
De afgelopen jaren schommelde de premie voor het Vervangingsfonds rond de 8%. Per 1 januari 2015 heeft het Vervangingsfonds haar premie verlaagd (van 8,2% per 1-1-2014 via 7,7% per 1-8-2014) naar 6,5%. Deze verlaging wordt echter gefinancierd door de declaratiemogelijkheden verder te beperken. Zo wordt sinds 1 januari 2015 bijvoorbeeld het rechtspositioneel verlof niet langer vergoed en wordt per 1 januari 2016 de mogelijkheid om vervanging bij schorsing te declareren beperkt tot slechts 2 weken. De verlaging van de premie komt dus tot stand door het beperken van vergoedingsmogelijkheden waardoor er meer kosten voor eigen rekening komen. Als deelnemer aan het Vervangingsfonds ben je dus al deels eigenrisicodrager geworden.

Rekenvoorbeeld premiebetaling en vergoeding
In de lumpsumbekostiging is een opslag voor de premie opgenomen van 4,026%. De percentages premie en opslag zijn niet vergelijkbaar omdat ze worden berekend over verschillende grootheden: de premie wordt (vooralsnog) geheven over het sociaal verzekeringsloon en de opslag over het totaal van de bekostiging. Dit kan verduidelijkt worden met een versimpeld rekenvoorbeeld.

  • - Je gebruikt elke 1 miljoen euro aan lumpsumbekostiging om personeel in te zetten.
  • - Het SV-loon is gelijk aan het brutoloon en de opslag voor vakantie- en eindejaarsuitkering, sociale lasten en overige vergoedingen en bedraagt ongeveer 60%.
  • - Elke miljoen euro loonkosten betekent dan een bedrag van 625.000 euro aan brutoloon (1 miljoen gedeeld door 1,6).
  • - De te ontvangen opslag kan dan benaderd worden als 4,026% van 1 miljoen euro, wat een bedrag van 40.260 euro geeft.
  • - De premie over 2014 kan benaderd worden door 8% (gemiddelde 2014) maal de grondslag van 625.000 euro te nemen wat een bedrag van 50.000 euro oplevert. Een tekort van bijna 10.000 euro over 2014 dus.
Met alle wijzigingen per 1 januari 2016 zou de premie bij het huidige niveau (6,5%) een premiebetaling opleveren van 43.875 euro (625.000 euro brutoloon plus 8% opslag voor vakantie-uitkering, maal de premie van 6,5%). De vraag is echter hoeveel er vervolgens aan kosten voor eigen rekening resteert. Mogelijk staat dit voor veel schoolbesturen gelijk aan het bedrag wat aan premiebetaling bespaard wordt. Immers, als we zien dat het verzuim landelijk gemiddeld 6,1% bedraagt, dan is een premie van 6,5% geheven over het brutoloon plus vakantieuitkering natuurlijk nooit genoeg om 6,1% van de loonkosten te financieren. Daarvoor zou ruim 9% premie nodig zijn. Het resultaat van deze sigaar uit eigen doos? Nul euro voordeel door de verlaging en nog steeds een relatief tekort ten opzichte van de bekostiging van bijna 10.000 euro per miljoen euro aan lumpsum.

Het verschil tussen premieafdracht en opslag bij het Participatiefonds is nog veel groter. Hier is het tekort op de opslag die in de bekostiging is opgenomen gestegen in een paar jaar fors gestegen. Tot 2012 schommelde de premie tussen de 1,5% en 2,2%. (In onderstaand schema gaan we uit van een gemiddelde premie van 2%.) Vanaf 2012 is de premie gaan stijgen van 2,37% naar 4% in 2014 en 5% per 1 januari 2015. De opslag in de lumpsum blijft onverminderd op 1% staan. Ondanks dat dit verschil niet meer in reële mate te financieren is, blijven de vakbonden vasthouden aan de riante boven- en nawettelijke uitkeringen voor het onderwijs die in forse mate aan deze enorme premiestijging bijgedragen. Onderstaand schema vat de (toegenomen) verschillen tussen bekostiging en kosten samen:

Vervanging 20142015
Vergoeding 40.26040.260
Premie 50.00043.875
Kosten voor eigen rekening n.v.t.6.125
Verschil -9.740-9.740
    
Participatie201120142015
Vergoeding10.00010.00010.000
Premie13.50027.00033.750
Verschil-3.500-17.000-23.750
Het totale verschil tussen de ontvangen opslag voor het VF en PF per 1 miljoen euro personele bekostiging en de premiebetaling loopt dus op van ongeveer 13.000 euro in 2014 (1,3%) tot een verwacht tekort van 33,500 in 2015 (3,35%).

Impact
Hoewel een stijging in de bestaande mismatch van 2% an sich misschien niet groot lijkt, moet niet vergeten worden dat het onderwijs geen profitsector is. Er wordt vaak gewerkt met heel grote omzetten, maar met zeer beperkte resultaten in relatie tot die omzet. Krap een procent verschil maakt dan al het verschil tussen een nipte winst of een voor onderwijsbegrippen toch fors verlies. Immers, een stijging van de mismatch met 2% bij een bestuur met 15 miljoen euro aan loonkosten betekent een kostenpost van 300.000 euro, ofwel 5 fulltime leerkrachten. De rekening hiervoor zal toch ergens in de organisatie betaald moeten worden in de vorm van minder beschikbare middelen, hetzij in de ondersteuning dan wel in het primaire proces.

Wat kun je doen?
Om met het slechte nieuws te beginnen: de grootste stijging in kosten ligt bij het Participatiefonds en voor een individueel bestuur is daar vooralsnog weinig aan te doen, behalve dan de eigen verantwoording te nemen het Participatiefonds niet te vervuilen door te snel en te makkelijk te ontbinden met wederzijds goedvinden. Soms is dit de beste weg, maar het wachtgeld dat indirect meegegeven wordt aan iemand waarbij er te weinig dossier is opgebouwd om op een andere wijze te beëndigen kan oplopen tot 4 à 5 ton. Als alle besturen dit doen, draagt iedereen daar de rekening voor in de vorm van die gestegen premie. Daarnaast ligt in dit geval de bal ook bij de bonden om te beseffen dat een wachtgeldtermijn van maximaal 144 maanden waar landelijk straks een normale uitkeringsduur van 24 maanden zal gelden maatschappelijk gezien niet meer verantwoord is.

Rondom het Vervangingsfonds zijn er echter onder bepaalde voorwaarden wel mogelijkheden. Sinds 2013 heeft het Vervangingsfonds onder politieke druk namelijk de mogelijkheid geopend voor zowel individuele besturen als groepen (collectieven) met een lumpsum van meer dan 20 miljoen (let op: gedefinieerd als de som van personele bekostiging, schoolbudget en materiële bekostiging) om eigenrisicodrager te worden. Hier is inmiddels ook al gebruik van gemaakt door besturen die nettobetaler aan het Vervangingsfonds waren (lees: meer premie betaalden dan ze declareerden). Begin dit jaar is de mogelijkheid tot uittreding ook opengezet voor besturen die niet aan de eis van 20 miljoen euro voldoen, maar wel een verzuim hebben dat lager is dan 4%. Per 1 augustus aanstaande wordt deze eis nog verder versoepeld naar een verzuim lager dan 7%. Dit ligt zelfs hoger dan het gemiddelde verzuim van de hele sector.

Mogelijk einde aan Vervangingsfonds?
Het Vervangingsfonds lijkt dus steeds meer een sterfhuisconstructie te worden nu uittreding meer en meer versoepeld wordt. Dit kunnen we illustreren met een simpel rekenvoorbeeld: stel dat er 4 besturen zouden participeren in het Vervangingsfonds. Alle vier zijn even groot (omvang is wel minder dan 20 miljoen euro) en hebben een verzuim van respectievelijk 3%, 5%, 7% en 9%. Het gemiddelde verzuim is dan 6% en met een half procent opslag voor overhead zou het Vervangingsfonds in deze fictieve situatie een premie heffen van 6,5%. Uittreding onder de "oude" voorwaarden (een verzuim van maximaal 4% als niet aan de eis van 20 miljoen euro lumpsum wordt voldaan) is interessant voor het eerste en tweede bestuur, maar alleen mogelijk voor het eerste. Als deze uittreedt, stijgt de gemiddelde premie voor de resterende besturen naar het nieuwe gemiddelde plus 0,5% opslag, wat 7,5% maakt. Nu wordt het voor het bestuur met 5% verzuim nóg aantrekkelijker om uit te treden en onder de nieuwe voorwaarden mag dat ook. Resteren de laatste twee besturen met een gezamenlijk verzuim van 8% en een premie van 8,5%. In de nu ontstane situatie is ten langen leste ook voor het bestuur met een verzuim van 7% uittreding interessant.

Hoewel veel besturen wellicht zullen aarzelen om het risico op zich te nemen eigenrisicodrager te worden, zal de combinatie van het gedwongen deels eigenrisicodragerschap (het steeds groter wordende deel van het verzuim wat niet meer vergoed wordt, het feit dat een normbekostiging gebruikt wordt en geen één-op-één declaratie van de echte loonkosten meer), de regeldruk die het fonds nog steeds kent en de financiële voordelen uiteindelijk de doorslag geven.

Rekenmodel
Om je vast een indruk te geven van het mogelijke voordeel hebben we een rekenmodel ontwikkeld waarmee je gemakkelijk en snel op basis van een aantal aannamen een indicatie van het financiële effect van uittreding krijgt. Een preciezere berekening is door ons zo gemaakt, neem daarvoor gewoon even contact met ons op. Download dit model hier (NB: dit model is per 23 februari ge-updatet met de laatste premiecijfers etc.).

Alleen een financiële afweging?
Ook zonder een groot financieel voordeel kan het voor je bestuur voordelig zijn om (eventueel in een collectief) uit te treden. Zo kan uittreding zorgen voor een lagere regeldruk dan nu het geval is en heb je meer vrijheid in de besteding van de vervangingsbudgetten. Immers, als je iemand niet kon ontslaan omdat je geen ontslagruimte had en deze persoon vast in dienst is, kun je hem of haar als hij vanuit boventalligheid een vervanging invult niet declareren vanwege het starre reglement. Als eigenrisicodrager bepaal je echter zelf de regels. Zodoende kun je bijvoorbeeld in een krimpsituatie makkelijker overformatie benutten voor de vervanging en ben je niet meer gebonden aan een formele rddf-status of aan regels voor de bezetting van een vervangingspool. Daarbij geldt dat de praktijk laat zien dat het zelf beheren van het verzuim en het niet meer klakkeloos één op één kunnen declareren doorgaans leidt tot een groeiend eigenaarschap en een daling van het verzuim. Zeker als het uitreden bij het Vervangingsfonds samengaat met actualisering van het verzuimbeleid en/of het vervangingsbeleid.

Ons aanbod
Met mijn eigen bureau Wyzr Advies heb ik de expertise om je in staat te stellen een weloverwogen en gefundeerd besluit te laten nemen over uittreden ja of nee. Maar er is meer. Zo bied ik je begeleiding bij de aanvraag tot uittreding, het opstellen en implementeren van deugdelijk vervangings- en verzuimbeleid dat hiermee samenhangt en begeleid ik je bij de daadwerkelijke uittreding. Verder kan ik jouw P&O/HRM-team ondersteunen en opleiden om de nieuwe situatie zo goed mogelijk vorm te geven.

Ik ontzorg je in het hele proces, zodat je zeker weet dat uittreding bij het Vervangingsfonds de kansen oplevert die jouw organisatie sterker maken en niet de molensteen wordt waar je vooraf wellicht bang voor bent. Wil je weten wat voor jou de kansen en mogelijkheden zijn en/of begeleiding in het opzetten van uittreding? Neem dan contact met mij op om hier vrijblijvend over door te praten: mail naar het adres onderaan de pagina, gebruik het contactformulier of bel 06 20 28 38 47.

Trefwoorden: bekostiging, onderwijs, lumpsum, vervangingsfonds, participatiefonds, eigenrisicodrager

Deel deze pagina met je volgers op social media: